Pensioen aanvullen

Je pensioen zelf aanvullen is de nieuwe realiteit. Wie dat niet doet loopt het risico op een schrale oude dag. Een stevig gat in je pensioen wil niemand maar komt wel vaak voor. Een andere reden waarom je zou moeten sparen voor je pensioen: op het aanvullend pensioen van de werkgever kunnen we steeds minder bouwen. Er zijn volop mogelijkheden.

1. Pensioen aanvullen door zelf te sparen of beleggen
2. Met lijfrente of koopsompolis pensioen verhogen
3. Je pensioen aanvullen bij het pensioenfonds
4. Langer doorwerken
5. Nabestaandenpensioen ruilen voor ouderdomspensioen
6. Hypotheek aflossen
7. Overwaarde verzilveren
8. Levensloopregeling
9. Vitaliteitsregeling

1. Pensioen aanvullen door zelf te sparen of beleggen

Door de versobering van pensioenregelingen en de grotere onzekerheid wordt aanvullen in eigen beheer steeds belangrijker. Je kunt dat doen door zelf slim te sparen of te beleggen. Het kost je wel meer moeite en tijd dan pensioensparen bij je werkgever of premie betalen voor een lijfrente bij een verzekeraar. Daar staat tegenover dat je zelf je strategie kunt bepalen en het overzicht houdt wat er met je geld gebeurt. Wil je ten alle tijden over je geld kunnen beschikken dan kun je dat ook zo regelen. Kwestie van kiezen voor rekeningen zonder beperkende voorwaarden.

Fiscaal gezien is zelf sparen of beleggen gunstig. De belastingheffing (box 3) is slechts 30 procent van het fictieve rendement boven het vrijgestelde bedrag (in 2017 € 25.000). Kortom, als je daaronder blijft hoef je helemaal geen belasting te betalen. Box 3-belasting moet je wel ieder jaar betalen.

Wat levert het op?

Spaarrekening

 Startbedrag   inleg p/mnd   na 5 jaar   na 10 jaar   na 20 jaar 
 € 1000  € 100  € 7633  € 14.342  € 30.290
 € 3000  € 100  € 9560  € 16.733  € 33.147
 € 5000  € 100  € 11.747  € 19.123  € 36.005
 € 10.000  € 100  € 17.213  € 25.100  € 43.149

Rente: 3%, inclusief vermogensrendementsheffing (box 3)

Beleggen

In lange perioden dat de rente laag is, zoals nu, is beleggen een betere optie. Je beleggingshorizon moet minstens vijf jaar en liefst langer zijn. Beleggen kun je zelf doen, of je stopt je geld in een of meer beleggingsfondsen. De fondsbeheerder doet dan het werk. Voor zijn diensten moet je wel betalen. Wil je passief beleggen met de laagste kosten dan is pensioenbeleggen met indextrackers aan te raden.
Voor je instapt bepaal je eerst je risicoprofiel om vast te stellen welke fondsen of effecten het beste bij je passen. Let op de kosten want die bepalen voor een belangrijk deel het rendement. Belangrijk bij beleggen voor je pensioen is het uitstapmoment. Je wilt je winst immers niet vlak voor je pensioen verspelen. Om dat te voorkomen kun je tegenwoordig kiezen voor zogeheten life cycle fondsen. Kenmerkend voor dit type fondsen is dat het deel risicovolle beleggingen (aandelen) wordt afgebouwd naarmate de pensioendatum dichterbij komt. De aandelen worden steeds meer vervangen door veilige obligaties.

2. Met lijfrente of koopsompolis pensioen aanvullen

De termen lijfrente en koopsompolis worden in het dagelijks leven vaak door elkaar gebruikt. Ze zijn beide te vatten onder levensverzekering en zijn onder andere bedoeld om een pensioengat te dichten. Je kunt er ook je pensioen mee aanvullen.

Het principe van een lijfrente en een koopsom is hetzelfde: je stort periodiek (lijfrente) of eenmalig (koopsom) een bedrag op de rekening van een verzekeraar of een bank (banksparen/pensioensparen). Op een afgesproken tijdstip ontvang je van het gespaarde kapitaal uitkeringen. Je kunt dit gebruiken om bijvoorbeeld eerder te stoppen met werken of om je pensioen aan te vullen.

Tijd van sparen
Een lijfrente kent eigenlijk twee periodes: de spaarperiode en de uitkeringsperiode. De spaarperiode breekt aan vanaf het moment dat je een lijfrente afsluit en je premie betaalt. De verzekeraar gaat met je inleg aan de slag met de bedoeling je kapitaal te laten groeien. Als je vroeg begint kan je kapitaal uiteraard meer groeien dan wanneer je pas op je 45e start. Vroeg beginnen is ook gunstiger door de relatief hoge kosten die een verzekeraar in het begin van je inleg afhaalt. Om die reden is het meestal ongunstig als de spaartijd kort is, bijvoorbeeld als je op je 50e nog een lijfrente neemt.

Tijd van uitkeren
Een lijfrente heeft een bepaalde looptijd waarin je kapitaal kan groeien. Als de looptijd ten einde is krijg je niet vanzelf uitkeringen. Hiervoor moet je een lijfrenteverzekering kopen. Uit deze verzekering krijg je uitkeringen waarmee je je pensioen bijvoorbeeld kunt aanvullen. Dit kan bij dezelfde verzekeraar maar het kan ook bij een andere. De keuze is vrij.

Omdat de verschillen in de hoogte van lijfrente-uitkeringen groot kunnen zijn, is het verstandig om meerdere offertes op te vragen. Vaak zal je eigen verzekeraar met een gunstig aanbod komen, omdat hij je niet graag naar een concurrent ziet gaan. Het gespaarde kapitaal kun je overigens niet in een keer laten uitbetalen. Tenzij je een zogenoemde oud-regime-polis hebt (koopsompolis afgesloten vóór 1 januari 1992 of een premiebetalende polis vóór 16 oktober 1990).

Levenslange uitkeringen
Je kunt kiezen tussen levenslange en tijdelijke uitkeringen. Kies je voor levenslang, dan weet je zeker dat je tot aan het eind van je leven periodiek (maandelijks, driemaandelijks) een vaste uitkering krijgt. Je kunt de uitkeringen jaarlijks laten indexeren, zodat ze gelijke tred blijven houden met de inflatie. Dit heeft wel tot gevolg dat de uitkeringen lager zijn.  

Tijdelijke uitkeringen
Een tijdelijke lijfrente kun je laten ingaan als je eerder stopt met werken of op je 65e. De duur is minimaal vijf jaar. Tijdelijke lijfrentes zijn handig als je tijdelijk meer geld nodig hebt, bijvoorbeeld voor de aanschaf van een nieuwe auto of een verre reis. Er is wel een jaarlijks maximum dat je mag ontvangen. In 2012 is dat € 20.953. Ook tijdelijke lijfrentes kun je laten indexeren.

Overbruggingslijfrente
Een overbruggingslijfrente is ook een tijdelijke lijfrente. Met dit verschil dat de overbruggingslijfrente moet eindigen als je 65 bent. Omdat het kabinet eerder stoppen met werken wil tegengaan, zijn de fiscale voordelen van overbruggingslijfrentes met ingang van 1 januari 2006 afgeschaft. Het kapitaal dat je met een lijfrentepolis tot die datum hebt gespaard, mag je wel nog gebruiken voor een overbruggingslijfrente. Dit geldt ook voor koopsommen van voor 1 januari 2006.

Partner
Als je een partner hebt kun je die met een lijfrente verzorgd achterlaten. Bij jouw overlijden krijgt je partner dan meestal 70 procent van de uitkeringen die jij ontvangt. Het nadeel van deze constructie is dat de uitkeringen lager zijn. Dit komt doordat een verzekeraar ervan uit gaat dat vrouwen langer leven dan mannen, en dat zij dus bij het overlijden van de man langer zullen moeten uitkeren.
 
Tips:
• Vraag voor je een lijfrente neemt naar de provisie voor de tussenpersoon. Die gaat van de inleg af en vermindert dus het rendement. Tussenpersonen die met een vaste beloning werken, zoals de Raadslieden van Hattem, leveren je een hoger kapitaal op.
• Als je meerdere lijfrentepolissen hebt met verschillende einddata, kun je de uitkeringen beter uitstellen en ze samenvoegen tot een geheel. Met dit grotere bedrag krijg je bij sommige verzekeraars namelijk korting.
• Let erop dat de uitkeringen je inkomen niet zodanig verhogen dat je in een hoger belastingtarief valt.
• Na je 65e betaal je minder belasting. Je houdt netto dus meer over als je de uitkeringen laat ingaan als je 65 bent.

Lijfrente en banksparen vallen in het pensioengebouw onder pijler 3

3. Bij het pensioenfonds je pensioen aanvullen

Als je bij een werkgever pensioen opbouwt, kun je meestal binnen de pensioenregeling extra pensioen bijsparen. Je kunt dit extra pensioen gebruiken om je ouderdomspensioen te verhogen, of om je nabestaandenpensioen aan te vullen. Verhoging van je pensioen kun je realiseren met een deel van je salaris, maar ook met vakantiegeld, een bonus of met spaarloon. Pensioensparen is vooral gunstig voor mensen die te weinig pensioen hebben opgebouwd (pensioengat).

Extra pensioensparen is wel gebonden aan regels. Allereerst moet er sprake zijn van een pensioentekort. Om dat vast te stellen kijkt de fiscus naar het al opgebouwde pensioen. Als dat lager is dan op grond van je salaris en leeftijd mogelijk is, dan mag je het tekort op je pensioen aanvullen. Dit tekort heet de pensioenjaarruimte (niet te verwarren met de lijfrentejaarruimte). De fiscus kijkt daarbij naar het opbouwpercentage, de hoogte van het salaris en de franchise. De franchise is het deel van je salaris waarover geen pensioen wordt opgebouwd.

Het totale pensioen inclusief AOW mag voor iedereen niet hoger zijn dan het salaris.

Voordelen:
• de inleg is belastingvrij
• je mag zelf bepalen hoe vaak en hoeveel je inlegt
• het extra pensioen wordt levenslang uitgekeerd
• bij overlijden gaat het extra pensioen naar de nabestaanden mits je getrouwd bent of een geregistreerd partnerschap hebt
• lage kosten en een redelijk rendement

Nadelen:
• geen tussentijdse opname
• extra sparen kan alleen bij het pensioenfonds waar je ook je normale pensioen opbouwt
• met extra pensioensparen mag je minder belastingvrij premie inleggen voor een lijfrente-verzekering
• door verlaging van het brutoloon loop je het risico op een lagere arbeidsongeschiktheids- of werkloosheidsuitkering.

 4. Langer doorwerken

Langer doorwerken levert je gemiddeld per jaar ongeveer 8 procent meer pensioen op.

 Stoppen bij   60 jaar   61 jaar   62 jaar   63 jaar   64 jaar 
 Tot 65  € 25.779   € 28.052   € 30.576   € 33.384   € 36.525 
 Vanaf 65  € 13.948  € 16.221  € 18.745  € 21.553  € 24.694


Als Kees op zijn 65e stopt, krijgt hij € 28.213. Knoopt hij er nog een jaartje aan vast, dan zit hij op € 30.859. Zijn pensioen is dan 9,4 procent hoger.

5. Nabestaandenpensioen inruilen voor hoger ouderdomspensioen

Als je geen partner hebt of als deze financieel zelfstandig is, kun je het nabestaandenpensioen omzetten in ouderdomspensioen voor jezelf. Dat kan overigens alleen met nabestaandenpensioen dat is opgebouwd vanaf 1 januari 2002, maar bij sommige pensioenfondsen waaronder het ABP ook eerder. Hiervoor heb je wel de toestemming nodig van je partner. Bij een volledige omzetting levert je dat ongeveer 20 procent meer pensioen op. Vaak kun je ook kiezen voor gedeeltelijke inruil.

6. Hypotheek aflossen

Door je hypotheek af te lossen heb je na je pensioen lagere woonlasten. Ergo: je hebt dan ook meer te besteden. Mensen die nu een nieuwe hypotheek afsluiten zijn verplicht om die binnen 30 jaar annuïtair af te lossen. Je betaalt dan iedere maand een vast bedrag aan rente en aflossing. Alleen onder deze voorwaarde is er nog recht op hypotheekrente-aftrek. Aflossen met behoud van hypotheekrente-aftrek kan ook met een lineaire hypotheek.

7. Overwaarde verzilveren

Het kapitaal uit je huis kun je ook gebruiken om je pensioen aan te vullen. Er moet dan wel overwaarde aanwezig zijn. Verzilveren kun je door de woning te verkopen en te gaan huren. Je hebt dan geen onderhoudskosten meer, geen hypotheek en geen eigenwoningforfait. Uiteraard moet je wel iedere maand huur betalen. Je kunt ook verhuizen naar een goedkopere koopwoning. Als je de overwaarde niet voor de financiering van je nieuwe huis gebruikt, is de hypotheekrente niet volledig aftrekbaar. De derde optie is de overwaarde opeten. Dat kan met een aflossingsvrije hypotheek, een krediethypotheek of een opeethypotheek.

8. Levensloopregeling

De levensloopregeling is per 1 januari 2012 opgeheven voor nieuwe deelnemers. Via deze regeling kon een werknemer per jaar maximaal 12 procent van zijn brutojaarsalaris opzij zetten. Het maximale verlof kwam neer op 2,1 jaar. Werknemers konden het saldo gebruiken om eerder met pensioen te gaan.  

Deelnemers die op 31 december 2011 € 3000 of meer op de levenslooprekening  hadden staan, kunnen in 2012 en 2013 nog bijstorten. Anderen kunnen dat niet meer. Vanaf 1 januari 2013 mogen alleen mensen die op 31 december 2011 € 3000 of meer hebben opgebouwd nog gebruik maken van de levensloopregeling, totdat zij de AOW-leeftijd hebben bereikt.

9. Vitaliteitsregeling

Vanaf 1 januari 2013 is de vitaliteitsregeling van kracht. Deze vervangt de spaarloon- en levensloopregeling. De vitaliteitsregeling staat open voor iedereen, niet alleen werknemers maar ook zelfstandigen (inclusief zzp'ers). In totaal mag je € 20.000 sparen, per jaar is er maximaal € 5000 belastingaftrek. Mensen met een tegoed in de levensloopregeling mogen dat zonder belastingheffing overhevelen naar de vitaliteitsregeling.

Het gespaarde tegoed is vrij opneembaar. Na een opname mag je het saldo weer aanvullen tot € 20.000. Belastingheffing in box 1 (inkomstenbelasting) vindt pas plaats na opname.

Er zijn wel beperkingen. In de eerste plaats is de vitaliteitsregeling in principe niet bedoeld als aanvulling op het pensioen. Je moet het saldo hebben opgenomen voordat je AOW krijgt. Ook mag je vanaf je 62e maximaal € 10.000 per jaar opnemen. Het geld dat je in de vitaliteitsregeling hebt gespaard kun je bijvoorbeeld gebruiken om een dag minder werken te financieren. In feite is het dus inzetbaar voor deeltijdpensioen.  

Notabene: PvdA en VVD zijn in het deelakkoord voor de begroting van 2013 overeengekomen dat de vitaliteitsregeling wordt geschrapt.

naar boven

Pensioenadvies

Wil je extra voor je pensioen sparen? Maar hoe en met welk product weet je niet. Tijd voor onafhankelijk deskundig advies van de Pensioentelefoon. Open op vrijdag van 9.30 tot 12.30 uur

Lees meer

Bouw jij extra pensioen op?

Disclaimer

Contact

Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Adverteren